DE MONTESSORI METHODE
Het Montessori onderwijs wordt gedreven door een ambitieus doel: het kind te begeleiden in zijn ontwikkeling naar volwassenheid, met respect heeft voor zijn omgeving en een prettige band met andere mensen. Het traditionele onderwijs, dat tegenwoordig de voorkeur heeft, blijft gericht op de overdracht van voorgeschreven kennisblokken, terwijl de Montessori benadering juist gefocust is op de natuurlijke ontwikkeling van de mens. De achterliggende gedachte hierbij is dat iemand sneller en beter leert als hij ergens echt in geïnteresseerd is. Dit lijdt tot een positievere houding ten aanzien van leren en uiteindelijk tot een persoon die een positieve bijdrage aan de maatschappij kan leveren. De traditionele opvatting is dat iemands karakter en persoonlijkheid gevormd worden van buitenaf en niet vanuit zichzelf. Hierdoor kunnen kinderen verveeld of gestrest raken en kunnen mentale problemen ontstaan.
Net als honderd jaar geleden wordt onderwijs ook nu nog gezien als een middel om armoede, ongelijkheid, asociaal gedrag en andere problemen van de samenleving te bestrijden. Voorafgaand aan de geboorte leidt het embryo zijn eigen ontwikkeling. Het fundamentele probleem met traditioneel onderwijs is een gebrek aan geloof dat het kind in staat is zijn eigen ontwikkeling te bepalen. Onderwijzers worden onvoldoende opgeleid het kind hierbij te ondersteunen. Het uitgangspunt van het Montessori onderwijs is dat de volwassene het kind helpt met het ontrafelen van de aangeboren ontwikkelingskrachten. Al vanaf de geboorte beschikt een kind over grote kracht die de vorming van zijn geest en de coördinatie van zijn lichaam leiden. De Montessori benadering is ontwikkeld zonder gebruikmaking van voorkennis of vooroordelen ten aanzien van de ontwikkeling van kinderen. Observatie van kinderen in uiteenlopende culturen en landen hebben bijgedragen aan een belangrijke conclusie:
1. dat er vier periodes van groei zijn op de weg naar volwassenheid: 0-6 jaar, 6-12 jaar, 12-18 jaar en 18-24 jaar. Iedere periode heeft zijn eigen doel: in de eerste, de periode van schepping; in de tweede, de periode van verkenning en van wetenschap; in de derde, de geboorte van de volwassene en het zoeken naar eigen waarde; in de vierde, het uitgroeien tot een volwassen persoonlijkheid en een gespecialiseerd onderzoeker. De complete ontwikkeling van de volwassen mens vereist dat aan de specifieke behoeften van elk van deze periodes wordt beantwoord.
2. dat het kind of de adolescent binnen elk van deze periodes specifieke ‘gevoeligheden’ of ‘vensters van mogelijkheden’ heeft om een bijzondere menselijke eigenschap te verkrijgen, bijvoorbeeld een gevoeligheid die het kind leidt naar taalverwerving in de eerste periode (0-6 jaar), of die bij het kind leidt tot de ontwikkeling van een moreel ‘kompas’ in de tweede periode (6-12 jaar).
3. dat naast deze leeftijdgebonden gevoeligheden, mensen een aantal gedragskenmerken bezitten die elk kind de mogelijkheid bieden om zich aan zijn of haar plaats en tijd aan te passen. Deze menselijke eigenschappen om bijvoorbeeld te onderzoeken, opdrachten te geven, te manipuleren, te verbeelden, te herhalen, te werken en te communiceren, zijn cruciaal geweest voor de evolutie van de mens en zijn in het kind aanwezig. De volgende secties verklaren hoe Montessori onderwijs reageert op dit inzicht in de ontwikkeling van het kind:
